Rietsuiker wordt voor het eerst gebruikt in Polynesië. Gewoon door op de stengel te kauwen, kan men genieten van de zoetheid. Daarna wordt in India een manier gevonden om het sap te kristalliseren. Bij zijn verovering van dit land, ontdekt de Perzische keizer Darius in 510 voor Christus de zoetstof en noemt het “het riet dat honing geeft zonder bijen”. De productie van deze delicatesse wordt verfijnd door de Arabieren en blijft lang een goed bewaard geheim tot het ontdekt wordt tijdens de kruistochten in de elfde eeuw. Deze christelijke veroveringstochten betekenen het begin van handel met het Oosten, waarbij suiker als een luxe kruid met zeer aangename smaak ook geïmporteerd wordt in Europa.
De vijftiende eeuw betekent een doorbraak voor de verspreiding en productie van suiker. Op weg naar de Nieuwe Wereld neemt Columbus rietsuikerplanten mee. De plant gedijt uitzonderlijk goed in het gunstige klimaat van de Carabiën, waardoor al snel een suikerindustrie opgebouwd wordt. Het zoete product blijft echter een luxe product, waarmee grote winsten geboekt worden, getuige hiervan de bijnaam “het witte goud”. Het onderschrift benadrukt de educatieve waarde van de prent: ‘De technieken voor de wijze waarop suiker geproduceerd wordt, kan je uit deze prent leren’. |