home
 


Het gebruik van drie kostbare materialen bij de uitvoering van de portiek verschafte de constructie dan ook de nodige luister.

Op de eerste plaats gaat het om twee Belgische steensoorten, het zwarte en het rode, gekleurde “marmer”. Marmer dient hier tussen aanhalingstekens geplaatst te worden, want de steen ontleent deze benaming niet aan zijn metamorf karakter, maar enkel aan zijn technologische kwaliteiten, met name zijn goede polijstbaarheid. Het gebruik van deze materialen is in de zeventiende eeuw verbonden met welbepaalde onderdelen van stenen retabels. De zwarte soort wordt meestal gebruikt voor de piëdestallen, de muurvlakken achter de zuilen, de architraaf en het lijstwerk. De rode steen, zoals ook hier het geval is, voor de zuilen en de fries.

Dat inheemse steen de meest prominente plaats in het materiaalgebruik inneemt, moet zeker in een economisch perspectief gezien worden want de kostprijs van het derde aangewende materiaal, albast, bedroeg een veelvoud. Het was dan ook op de eerste plaats de vervoerskost die de prijs van het materiaal bepaalde. Het uitheemse albast diende vanuit overzeese vindplaatsen als Engeland ingevoerd te worden. Dit kostbare blanke materiaal werd voornamelijk aangewend voor de (architecturale) sculptuur.