home
 

Het tafereel


Een tijd lang kwamen elke maandag in Saint-Cloud, in de buurt van Parijs, een aantal Belgische en Franse kunstbroeders uit verschillende disciplines samen in het huis van de vermaarde dichter Emile Verhaeren (1855-1916) en zijn echtgenote Maria. Van Rysselberghe inspireerde zich op deze bijeenkomsten voor zijn groepsportret De lezing door Emile Verhaeren. Hoewel details uit de studeerkamer van de dichter in Saint-Cloud herkenbaar zijn, realiseerde Van Rysselberghe het werk in zijn atelier in Parijs.


De lezing groepeert rond de hoekige en expressieve hand van Emile Verhaeren een aantal Franse en Belgische toehoorders. Het zijn gemeenschappelijke vrienden van de dichter en van Van Rysselberghe. Van links naar rechts herkennen we:



Félix Le Dantec (1869-1917), bioloog. Verhaeren bewonderde de toen erg populaire theorieën die de Franse bioloog en atheïstische filosoof Le Dantec over het ontstaan van het leven formuleerde. In 1908 ontwierp Van Rysselberghe ornamenten voor het omslag van Le Dantecs Traité de Biologie.

Francis Vielé-Griffin (1864-1937), schrijver. De vriendschap tussen Verhaeren en de in Amerika geboren Viélé-Griffin ging terug tot 1892, toen die een geestdriftige recensie schreef over zijn Les apparus dans mes chemins voor het tijdschrift ‘Entretiens politiques et littéraires’.

Félix Fénéon
(1861-1944), criticus. Het was Fénéon, toonaangevend kunstcriticus, die als eerste de term ‘neo-impressionisme’ gebruikte. Op 19 september 1886 dook de omschrijving voor het eerst op in het Brusselse tijdschrift ‘L’Art moderne’, spreekbuis van de kunstkringen Les Vingt en La Libre Esthétique.

Henri Ghéon
(1875-1944), schrijver geworden arts. In 1901 nodigde Van Rysselberghe Ghéon uit bij La Libre Esthétique: hij gaf er de lezing over poëzie en het empirisme. De Franse intellectueel voelde zich onmiddellijk thuis in de Brusselse kring van creatieve geesten.




André Gide (1869-1951), schrijver. Hoewel Gide en Verhaeren elkaar aan het einde van 1896 voor het eerst persoonlijk ontmoetten, had Verhaeren Gides debuut Les Cahiers d’André Walter al geprezen in ‘L’Art moderne’ van 28 juni 1891. Van Rysselberghe was zo onder de indruk van Gide dat hij hem in december 1899 vroeg te poseren voor een tekening, nog voor hij het plan van De lezing had opgevat. Het jaar daarop gaf Gide op 29 maart voor La Libre Esthétique de voordracht L’Influence en littérature.

Maurice Maeterlinck (1862-1949), schrijver. Maeterlinck en Verhaeren waren leerlingen geweest aan dezelfde middelbare school in Gent, studeerden allebei rechten, en gaven allebei de balie op voor een loopbaan in de letteren.

Henri-Edmond Cross
(1856-1910), schilder. Cross, de enige schilder van het gezelschap, kende Van Rysselberghe en Verhaeren al jarenlang via zijn tentoonstellingen van de Brusselse kunstkring Les Vingt.

De uit eigen werk voorlezende Emile Verhaeren valt op door zowel het gebaar van zijn uitgestoken arm als door zijn kledij. Zijn oranje jasje vormt een complementair contrast met de blauwe pakken van de anderen. Zijn poëtische rechterhand is het veelzeggende theatrale beginpunt van een cirkelvormige beweging van georchestreerde handen.
De Franse letterkundige Henri de Régnier ontbreekt op de finale versie van De lezing: Van Rysselberghe had ook hem graag op het schilderij gezien, maar hij kon zich helaas niet vrijmaken voor de poseersessies.





Een goedgevulde boekenmolen en een boekenkast die gedeeltelijk verborgen zit achter een gordijn, George Minnes Geknielde jongeling, een beeldje van Auguste Rodin en een reproductie, in een pointillistische kader, van James McNeill Whistlers Portret van Thomas Carlyle, versterken het literaire en artistieke karakter van het tafereel.


Hoewel de acht mannen elkaar goed kennen, zijn ze geconcentreerd, in zichzelf gekeerd, zo in de ban van Verhaerens lectuur, dat ze zich nauwelijks van elkaars aanwezigheid bewust zijn. Van Rysselberghe heeft alle aanwezigen, die elk op een eigen manier op Verhaeren reageren, een eigen plaats op het schilderij voorbehouden. De kunstenaar vindt een goed evenwicht tussen het  afbeelden van de individuele identiteit en de groepsdynamiek.
Met De lezing knoopt Van Rysselberghe aan bij een 19de-eeuwse traditie van groepsportretten als hommages aan één bepaalde kunstenaar. Voor de kunstenaar was het schilderij dan ook een kunstwerk, en geen literair manifest: de schikking van de figuren wordt bepaald door compositorische en niét door literaire motieven. Toch gunt het doek ons, zelfs zonder enige expliciete iconografische betekenis, een pakkende blik op de vrienden van Emile Verhaeren in hun intellectuele verscheidenheid. Het werk leest dan ook als een historisch document, en toont hoe ruim de impact van Verhaerens werk was. Hij bereikte wetenschappers als Le Dantec, schrijvers van zijn eigen generatie zoals Maeterlinck, maar ook van de volgende, zoals André Gide, die veertien jaar jonger was dan hijzelf, en tenslotte ook plastische kunstenaars zoals Cross. Tot slot illustreert De lezing ook hoe mensen broederlijk bij elkaar gebracht konden worden en gefascineerd werden door de vonk van creativiteit die iemand als Verhaeren op hen overbracht.