Het begin van Memlings carrière
Memling wordt op zijn laatst in 1440 in Selingstadt in het huidige Duitsland geboren. Hij gaat waarschijnlijk al op jonge leeftijd bij een onbekende Keulse meester in de leer. Zijn leertijd vervolmaakt hij vermoedelijk bij Rogier van der Weyden. Dit kan worden afgeleid uit enkele bronnen. Zo wordt in een inventaris uit 1515 van de huisraad van Margaretha van Oostenrijk een altaarstuk genoemd, waarvan het middenpaneel door ‘Rogiers’ is gemaakt en de luiken door ‘maistre Hans’. Dit suggereert dat de twee kunstenaars samen hebben gewerkt. Dit wordt bevestigd door de Italiaan Giorgio Vasari die in zijn Vite, de levensbeschrijvingen van verschillende kunstenaars, schrijft dat Memling een leerling of gezel van Van der Weyden is. Deze samenwerking heeft vermoedelijk tot het overlijden van Van der Weyden op 18 juni 1464 geduurd. Korte tijd later, in 1465, laat Memling zich als poorter inschrijven in Brugge.
Het feit dat Van der Weyden en Memling hebben samengewerkt blijkt niet alleen uit deze gegevens. Er zijn grote stilistische overeenkomsten tussen de vroege schilderijen van Memling en het werk van Van der Weyden. Eén van de vroegste schilderijen van Memling is het Crabbe-triptiek dat door de verschillende onderzoekers afwisselend eind jaren zeventig en 1472 wordt gedateerd. In de achttiende eeuw is dit drieluik uit elkaar gehaald en verdeeld geraakt over verschillende musea. De buitenzijden van de luiken, die de Annunciatie uitbeelden, bevinden zich in de collectie van het Groeningemuseum in Brugge. Deze Annunciatie vertoont overeenkomsten met het linkerluik van Van der Weydens Columba-altaarstuk (Alte Pinakothek, München), dat eveneens de Annunciatie uitbeeldt. Allereerst vallen de overeenkomsten in figuurtypen tussen de twee schilderijen op. In beide hebben Maria en de engel Gabriël een fijn gezicht, met een lange dunne neus, dunne wenkbrauwen, smalle lippen, brede ogen en een smalle kleine kin. Gabriël heeft in beide halflang golvend haar, dat door een diadeem met een kruisje strak om zijn hoofd wordt getrokken. Maria draagt telkens haar lange golvende bruine haren in een scheiding en houdt haar hoofd licht gekanteld. Ten tweede valt op dat de figuren in het schilderij uit München en de Brugse luiken precies dezelfde gebaren maken. Hoewel Gabriël in het werk uit München een kruis in zijn linkerhand houdt en in het Brugse werk een staf, maakt hij in beide werken met zijn rechterhand een zegenend gebaar. Maria houdt haar Bijbel in haar linkerhand en houdt haar rechterhand omhoog, waarmee ze aangeeft dat ze de boodschap van Gabriël aanvaardt. Opvallend is ook dat de vleugels van Gabriël dezelfde vorm hebben en zelfs de sjerp die hij kruislings over zijn borst draagt in beide schilderijen is afgebeeld. Tenslotte vallen de overeenkomsten tussen de plooien van de gewaden in beide schilderijen op. De lange, brede plooien, die op de grond verder uiteen vallen, hebben een sterk driedimensionaal karakter. |