home
 

Geschiedenis van het schilderij

Het schilderij genoot al kort na zijn ontstaan een grote bekendheid. Al aan het einde van de vijftiende eeuw ontstaan de eerste getrouwe en minder getrouwe kopieën van het schilderij (o.a. in het KMSKA). Een zeer interessant werk onder de vrije kopieën naar de memorietafel van Van Eyck, is een tweeluik dat door Jan Gossaert werd gemaakt. Op het linkerluik staat de Heilige Donatianus (Musée des Beaux-Arts, Doornik) en op het rechterluik een portret van Jean de Carondelet, de opvolger van Joris van der Paele en opdrachtgever van het schilderij (Nelson-Atkins museum of Art, Kansas City). Hoewel het hier geen letterlijke kopieën betreft, vertonen beide schilderijen onmiskenbare overeenkomsten met Van Eycks Madonna met kanunnik Van der Paele. Zo draagt Donatianus dezelfde koorkap en mijter en houdt hij het relikwiekruis en het rad met de brandende kaarsen in zijn hand. Carondelet draagt net als Joris van der Paele, een wit koorhemd en heeft een gebedenboek in zijn hand. De kunstminnende Jean Carondelet heeft het tweeluik vermoedelijk voor zijn grafkapel in de Brugse Sint-Donaaskerk besteld en heeft waarschijnlijk bewust voor de verwijzing naar het meesterwerk van Van Eyck gekozen. 

Ook de adel toont interesse in de memorietafel. In 1547 stuurt Maria van Hongarije een afgezant naar de Sint-Donaaskerk om het schilderij te vragen. De leden van het kapittel zijn resoluut in hun besluit; zij kunnen het werk niet afstaan. De goede zorg van het kapittel voor het altaarstuk blijkt ook uit het feit dat zij het altaarstuk tijdens de godsdienstperikelen ergens onder brengen, waarna het weer in goede staat wordt teruggeplaatst in de kerk.

Het schilderij wordt op 21 augustus 1794 in beslag genomen door de Fransen en naar Parijs gebracht. In 1815 doet de stad Brugge veel moeite om het werk weer naar Brugge terug te halen. Wat begin 1816 ook lukt. De Sint-Donaaskerk is dan inmiddels afgebroken en het schilderij wordt in de nieuw gestichte academie ondergebracht.