Al in de tiende eeuw maken Chinezen vuurpijlen en vlammenwerpers om belagers van zich af te houden. De Chinezen ontdekken de juiste chemie tussen zwavel, houtskool en salpeter om vlammend wapentuig mee te maken. Het lichtgevende effect van het mengsel resulteert in het siervuurwerk. De eerste beschrijving van echt buskruit komt voor in de militaire encyclopedie “Wu Ching tsung Yao” uit ongeveer het midden van de elfde eeuw. Het belangrijke en moeilijk te vinden of te maken ingrediënt salpeter is zeer waarschijnlijk aan de Chinezen ontleend. De Arabieren kennen in 1240 de salpeter onder de naam ‘sneeuw van de Chinezen’. Vanaf de dertiende eeuw vindt het buskruit – waarschijnlijk via de befaamde Zijderoute – zijn weg naar Europa. In de daaropvolgende eeuwen ontwikkelt men in West-Europa de eerste militaire toepassingen voor het poeder. In de loop van de volgende eeuwen ontstaan wereldwijde toepassingen op militair en industrieel gebied. Dit heeft de geschiedenis van oorlogvoering ingrijpend en blijvend veranderd. Buskruit maakt Europa groot in de zeventiende en achttiende eeuw op de wereldzeeën waar de met kanonnen bewapende schepen dominantie afdwingen.
Het kanon is belangrijke uitvinding voor de krijgskunst zowel te land als te water. Op het land leidde dit tot de constructie van stervormige omwallingen, ontworpen om aan dit soort artillerie te weerstaan. Kanon komt van het oud Italiaanse ‘canonne’, wat ‘lange buis’ is, en afgeleid is van het Latijnse woord ‘canna’ (stengel-stok). Bij de Chinezen wordt eerste een uitgeholde bamboestok gebruikt, maar later vervangen door metaal. Rond 1500 worden kanonnen gemaakt in grote variëteit van lengte en diameter. De algemene regel is: hoe langer de pijp hoe groter de reikwijdte. Zo worden kanonnen gemaakt tot drie meter lang, met gewicht tot meer dan 9.000 kilogram.
|