home
 


Portret van Antonius Triest, bisschop van Gent (circa 1643-1651?)

Jerôme II Duquesnoy/ toegeschreven aan François Duquesnoy, Portret van Antonius Triest, circa 1643 (?), circa 1651 (?), Musée du Louvre Parijs, inv. RF4651





Zijn uitzonderlijk belang ontleent dit portret van de Gentse bisschop Antonius Triest niet alleen aan de kwaliteit van zijn uitvoering, te danken aan het talent van de uitvoerder, maar ook aan het gebruik van wit marmer, een exclusief materiaal dat in de Zuidelijke Nederlanden doorgaans was voorbehouden voor portretten van heersers en leden van de adelstand.

Het Triestportret werd mogelijk uitgevoerd met het oog op zijn tombe in de Gentse kathedraal en illustreert daarmee één van de belangrijkste functies van het bustegenre, met name het bieden van een visuele ondersteuning bij de nagedachtenis aan een overledene. Gebeeldhouwde portretten maakten dikwijls deel uit van epitafen of grafmonumenten. Deze gedenktekens namen in de nieuwe tijd een voorname plaats in het kerkinterieur in. De opdrachtgevers hoopten met dit mecenaat -  een alternatief voor de gebruikelijke vormen van naastenliefde -  bij te dragen tot hun zielenheil in het hiernamaals.

Aan dit voornaam en delicaat portret van Antonius Triest hebben misschien de beide broers Duquesnoy gewerkt. François Duquesnoy, de internationaal meest fortuinlijke zeventiende-eeuwse beeldhouwer van de Zuidelijke Nederlanden, bracht een groot deel van zijn leven door in Italië, waar hij bekend stond als Il Fiammingo. Hij ontwikkelde er een classicerende barokstijl die afweek van de theatrale barok van Gianlorenzo Bernini (1598-1680). Dat Antonius Triest zich eerst tot François wendt voor de uitvoering van zijn portret met het oog op de uitvoering van zijn grafmonument in de Gentse kathedraal, pleit voor zijn verfijnde smaak als kunstliefhebber en mecenas. Het werk is evenwel gesigneerd door zijn broer Jérôme, die het werk na het overlijden van François zou hebben afgewerkt. Uiteindelijk voerde Jérôme ook het grafmonument van bisschop Triest uit (1651-1654). 

Het talent van de gebroeders Duquesnoy komt in het Triest-portret goed tot uitdrukking, vooral in de uitwerking van de plooival van het kledingstuk en de doorgedreven zin voor detail in de uitvoering van de fysionomie. Typerend is het gebruik van de onderkant van de mozzetta of schoudermantel als contourlijn bij de afsnijding van de buste. Dit is geen exclusief motief voor het werk van François Duquesnoy, maar gebruikelijk in de contemporaine Italiaanse portretkunst in het algemeen. Het wordt onder meer ook gebruikt in de portretten van François’ Romeinse evenknie Bernini (bijvoorbeeld in het Portret van Urbanus VIII, 1632, Rome, Palazzo Barberini). De opvallende insnijding onderaan de mozzetta, die de aanwezigheid suggereert van een – weliswaar onzichtbare – geplooide linkerarm, illustreren de hang naar realisme en zelfs illusionisme van de Duquesnoys.